Kunststromingen in Nederland: een overzicht van 1850 tot 1940

Bijgewerkt op: 21 sep
Wie Nederlandse kunst uit de negentiende en vroege twintigste eeuw beter wil begrijpen, komt al snel verschillende kunststromingen en -ismen tegen. Maar wat betekenen die termen eigenlijk, en hoe verhouden ze zich tot elkaar? In dit overzicht wordt de ontwikkeling van Nederlandse moderne kunst van de romantiek tot de nieuwe zakelijkheid uit de doeken gedaan. Aan de hand van historische gebeurtenissen, belangrijke kunstenaars en kunstwerken kijken we naar de veranderingen in stijl, onderwerp en manier van kijken.
Hier wordt geen uitputtende geschiedenis van de Nederlandse kunst gepresenteerd. Wel biedt deze tekst een helder vertrekpunt voor wie meer wil begrijpen van de moderne kunst van circa 1850 tot 1940. Want de verschillende stromingen staan niet los van elkaar. Kunstenaars reageren op elkaar en op de maatschappelijke context waarin zij leefden. Ze nemen ideeën over, geven er een eigen invulling aan en zoeken vervolgens naar nieuwe mogelijkheden. Over het moment waarop de moderne kunst haar intrede deed, lopen de meningen uiteen. In dit overzicht wordt de Romantiek als uitgangspunt genomen, omdat hier een duidelijke verschuiving zichtbaar wordt in de manier waarop kunstenaars naar de wereld, de natuur en het individu keken.
De Romantiek
De Industriële Revolutie begon in Engeland vanaf circa 1760 en bracht een ingrijpende verandering van de leefomgeving en samenleving met zich mee. De uitvinding en toepassing van de stoommachine vormden een belangrijke motor achter deze industrialisatie en maakten grootschalige mechanisering en productie mogelijk. Vanaf ongeveer 1780 nam het aantal fabrieken sterk toe, breidde steden snel uit en verslechterden voor grote groepen arbeiders de werk- en leefomstandigheden. Om de goederen, vaak steenkool, maar later ook mensen, efficiënter te vervoeren, werden er spoorlijnen aangelegd. Zo opende in 1825 de eerste spoorweg van Engeland, de Stockton and Darlington Railway. In 1839 kreeg kreeg Nederland de eerste spoorlijn tussen Haarlem en Amsterdam, deze verving de traditionele trekvaart. De relatieve afstand werd daarmee korter en de wereld iets kleiner.
De Romantiek ontstond als een reactie op deze ingrijpende veranderingen van de industrialisatie. Tegenover deze nieuwe, geïndustrialiseerde wereld ontstond een verlangen naar natuur, het oorspronkelijke en het ongerepte, waarin de mens weer onderdeel was van een grotere wereld. Zo groeide de Romantiek uit tot een culturele reactie op de modernisering van de samenleving. Deze kritiek op industrialisatie en massaproductie bleef de hele 19e eeuw doorwerken. De Engelse kunstenaar en ontwerper William Morris greep in de Arts and Crafts-beweging terug op het ambacht en de middeleeuwen, als tegenwicht voor de machinale massaproductie. In Nederland kwam de industrialisatie in de eerste helft van de 19e eeuw op gang en brak pas relatief laat door rond 1860.

Tegenover de snel veranderende, geïndustrialiseerde wereld plaatsten romantische kunstenaars de overweldigende natuur. De mens is daarin klein en nietig tegenover de grootsheid van het landschap. Dat is letterlijk zichtbaar in de verhoudingen: kleine figuren verdwijnen tussen hoge bomen, uitgestrekte rivieren en brede landschappen. Vooral winterlandschappen met kleine schaatsers en landschappen met majestueuze bomen zijn geliefde onderwerpen. De romantiek bood daarmee als het ware een vlucht naar een andere, geromantiseerde wereld, waarin natuur, rust en schoonheid een alternatief vormden voor de veranderende moderne maatschappij. Andreas Schelfhout, B.C. Koekkoek en Charles Leickert zijn belangrijke Nederlandse vertegenwoordigers van deze traditie. Hun landschappen combineren een grote technische beheersing met aandacht voor licht, atmosfeer en het karakter van de natuur. Maar naarmate de negentiende eeuw vorderde, veranderde ook de blik van kunstenaars op hun eigen omgeving. De geromantiseerde natuur maakte geleidelijk plaats voor een directere observatie van het Nederlandse landschap en het dagelijks leven.

De Haagse School
Vanaf ongeveer 1860 ontwikkelen kunstenaars als Jozef Israëls, Anton Mauve, Jacob Maris, Willem Roelofs en Hendrik Willem Mesdag een schilderstijl waarin niet langer het romantische sentiment, maar vooral licht, lucht en atmosfeer centraal staan. Tegelijkertijd wint in Europa het naturalisme aan invloed, met een nadruk op het direct en ongeïdealiseerd weergeven van het dagelijks leven. De Haagse School werd ook wel de ‘regering van grijs’ genoemd, vanwege het veelvuldige gebruik van gedempte grijze en bruine tinten en de sobere onderwerpen. De kunstenaars schilderden de noeste arbeiderswereld, het vissersleven in Katwijk en de natuur, maar deden dat met een steeds vlottere en lossere toets en zonder de werkelijkheid te idealiseren. De Haagse School vormt daarmee een belangrijke voorloper van het Nederlandse impressionisme. Grijze luchten, nevel, regen en het wisselende Nederlandse licht worden belangrijke onderwerpen op zichzelf. Die aandacht voor het vluchtige karakter van licht en atmosfeer zou bij een volgende generatie kunstenaars nog verder worden doorgevoerd.

Het impressionisme
Verderop in de jaren 1880 wordt deze ontwikkeling voortgezet door het impressionisme. De aandacht verschuift steeds meer naar de directe ervaring van het moment. Licht, kleur en beweging worden belangrijker, terwijl ook het moderne stadsleven als onderwerp zijn intrede doet. Een voorloper van deze stroming was de in Frankrijk gevestigde Nederlander Johan Barthold Jongkind. Jongkind werkte al in de jaren 1850 en 1860 in en rond Parijs met losse penseelstreken, lichteffecten en vluchtige atmosferische indrukken, waarmee hij afstand nam van de gladde, nauwkeurig uitgewerkte schildertrant van de academische kunst.
George Hendrik Breitner is in Nederland een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het impressionisme en wordt gerekend tot de Amsterdamse School. Zijn schilderijen en tekeningen van Amsterdam tonen een voortdurend bewegende stad, trams, dienstbodes en voorbijgangers, vaak tegen een decor van natte straten en regen. De opkomst van de fotografie veranderde bovendien de manier waarop kunstenaars naar de werkelijkheid keken. Waar een foto de werkelijkheid letterlijk kon vastleggen, voelden schilders zich juist vrijer om het vluchtige, persoonlijke en atmosferische van een moment te benadrukken. Bij George Hendrik Breitner is die invloed duidelijk zichtbaar: hij maakte zelf veelvuldig foto’s en gebruikte deze als uitgangspunt voor zijn moderne composities. Daarnaast was gek op paarden, die vaak terugkeren in zijn oeuvre. Ook Isaac Israëls richt zich op het moderne leven, van de Amsterdamse straat, het theater en het uitgaansleven tot het Scheveningse strand en de mode al toen. Isaac Israels schilderde vooral het mondaine, levendige stadsleven, terwijl Breitner zich meer richtte op de rauwe, dynamische kant van de stad.
Een andere vroege impressionist was de Fries Siebe Johannes ten Cate. Na zijn eerste jaren in Antwerpen en Brussel en omzwervingen door Scandinavië en Londen vestigde hij zich in Parijs, de stad waar het impressionisme in 1874 ontstond. Hier ontwikkelde hij een eigen beeldtaal, waarin zowel het stadsleven als de natuur een belangrijke plaats innemen. Zijn schilderijen en pastels hebben iets van een camera met een lange sluitertijd: beweging en vluchtige momenten worden niet bevroren, maar lijken juist door het beeld heen te bewegen.

De Amsterdamse Joffers
Het moderne Amsterdamse stadsleven, dat bij Breitner en Isaac Israels zo’n belangrijke plaats inneemt, vormt ook de achtergrond voor een groep vrouwelijke kunstenaars die bekendstaat als de Amsterdamse Joffers. Het ging om kunstenaressen uit welgestelde families die elkaar aan het einde van de negentiende eeuw leerden kennen aan de Rijksakademie van beeldende kunsten in Amsterdam. Tot de bekendste Joffers behoren Lizzy Ansingh, Coba Ritsema, Betsy Westendorp-Osieck, Marie van Regteren Altena, Coba Surie en Jo Bauer-Stumpff. Hun onderwerpen waren vaak huiselijk en intiem: interieurs, stillevens, bloemen en portretten. Lizzy Ansingh legde zich daarnaast in het bijzonder toe op het schilderen van poppen. In hun schilderijen is vaak een losse, impressionistische penseeltoets zichtbaar.

Het Postimpressionisme
Niet iedere kunstenaar vond die vernieuwing echter in een steeds directere weergave van de werkelijkheid. Een bijzondere plaats neemt Vincent van Gogh in. Hij vervormt de zichtbare werkelijkheid vanuit zijn eigen emoties en laat daarbij het natuurlijke kleurgebruik steeds meer los. Contrasterende, vibrerende kleuren en een krachtige, zichtbare penseelstreek versterken de persoonlijke expressie van zijn werk. Daarmee wordt Van Gogh een belangrijke voorloper van het expressionisme. Omdat zijn belangrijkste werken buiten Nederland ontstonden, wordt hij in dit overzicht van de Nederlandse kunststromingen slechts zijdelings genoemd.
Van Gogh was een van de vier grote pioniers van het postimpressionisme, naast Paul Cézanne, Paul Gauguin en Georges Seurat. Ieder van hen sloeg vanuit het impressionisme een eigen richting in. Cézanne onderzocht de onderliggende structuur van de werkelijkheid en werd daarmee een belangrijke voorloper van het kubisme. Gauguin zocht naar vereenvoudigde vormen en expressief kleurgebruik en had grote invloed op het symbolisme. Van Gogh ontwikkelde juist een zeer persoonlijke schilderstijl, waarin kleur, vorm en penseelstreek steeds sterker werden ingezet om emotie uit te drukken en hij daarmee een belangrijke voorloper van het expressionisme werd.
Seurat ontwikkelde het neo-impressionisme, waarbij hij ongemengde kleuren in kleine, afzonderlijke verfstippen naast elkaar aanbracht. Van dichtbij zie je vooral de losse kleurpunten, maar van een afstand mengen de kleuren zich optisch en ontstaan levendige kleurpatronen. Deze systematische toepassing van kleur en de bijbehorende schildertechniek wordt vaak aangeduid als divisionisme of pointillisme. Het principe van optische kleurmenging is nog altijd herkenbaar in moderne beeldtechnologie. Zo worden de kleuren op televisieschermen en LED-displays opgebouwd uit kleine lichtpunten in rood, groen en blauw, de drie basiskleuren van het RGB-kleurmodel. Door deze kleuren in verschillende intensiteiten te combineren, kunnen miljoenen verschillende kleuren worden weergegeven.

Het symbolisme
Tegelijkertijd ontwikkelde zich een geheel andere, tegengestelde reactie op de zichtbare werkelijkheid: het symbolisme. Symbolistische kunstenaars zochten minder naar een directe weergave van de zichtbare wereld en meer naar een beeldtaal voor ideeën, dromen en het onderbewuste. Nederland kent relatief weinig uitgesproken symbolisten, maar Jan Toorop neemt hierin een belangrijke, internationale positie in.
Toorop begon als een vertegenwoordiger van de Haagse School, maar liet deze schildertraditie al snel achter zich. Geïnspireerd door Georges Seurat en Paul Signac werkte hij tussen 1888 en 1891 in een pointillistische stijl. Vanaf circa 1890 verschoof zijn werk geleidelijk in symbolistische richting. Als lid van de Belgische avant-gardistische kunstenaarsgroep 'Les XX' ontwikkelde hij een herkenbare beeldtaal van sierlijke lijnen, gestileerde figuren en symbolische voorstellingen. Later kregen zijn werken een steeds nadrukkelijker katholiek en religieus karakter.
Een bijzondere, vrijwel vergeten symbolist is de enigmatische diplomaat Carel de Nerée tot Babberich. Hij stelde tijdens zijn leven nauwelijks tentoon en werd door ziekte geplaagd, waardoor hij veelal in kuuroorden verbleef. Hij stierf jong, maar liet bizarre en soms zelfs obscure tekeningen na, waarin vrouwen, seksualiteit, gender en fantasie een belangrijke rol spelen. Zijn zeer verfijnde, soms beklemmende lijnvoering doet denken aan Egon Schiele en Gustav Klimt. Ook Jan Mankes neemt een bijzondere plaats in. Zijn verstilde dieren, stillevens en landschappen bewegen zich tussen realisme en symbolisme. Met zijn ogenschijnlijk eenvoudige voorstellingen probeert hij niet alleen de werkelijkheid vast te leggen, maar juist iets van de ‘ziel der dingen’ te vangen. Juist het eenvoudige kon zo mooi zijn.

Waar het symbolisme zich richt op het onzichtbare en innerlijke, zoekt de 'nieuwe kunst' juist naar een nieuwe vormentaal voor de zichtbare wereld. Rond 1900 krijgt de sierlijke nieuwe kunst, de Nederlandse variant van de art nouveau, vorm. De stijl kenmerkt zich door organische lijnen, gestileerde vormen en inspiratie uit de natuur, dierenwereld en, bij kunstenaars als Jan Toorop, ook uit Nederlands-Indië. Beeldende kunst en toegepaste kunst raken daarbij steeds sterker met elkaar verweven. Toorop speelt hier opnieuw een belangrijke rol. Zijn bekende affiche voor de Delftsche Oliefabrieken, de zogenaamde slaoliestijl, is een van de meest herkenbare voorbeelden. Ook Theo van Hoytema en Gerrit Willem Dijsselhof laten zien hoe schilderkunst, grafiek, illustratie en decoratieve kunst steeds dichter bij elkaar komen te liggen.
Het luminisme
In de tweede helft van de jaren 1900 kwam er binnen het impressionisme een steeds grotere belangstelling voor de werking van kleur en licht. Het luminisme vormt hiervan een belangrijke Nederlandse variant. Kunstenaars zoeken naar een intensere en heldere schilderwijze waarin licht als onderwerp wordt geïsoleerd en een zelfstandig onderdeel van de compositie gaat uitmaken. Leo Gestel en Jan Sluijters behoren tot de belangrijkste vernieuwers. Gestel experimenteert in zijn vroege werk met het luminisme en laat zich later sterk beïnvloeden door het kubisme en expressionisme, waarbij hij steeds verder zoekt naar nieuwe mogelijkheden van kleur, vorm en perspectief.

Jan Sluijters gaat daarin nog een stap verder. Zijn schilderwijze wordt zo herkenbaar en persoonlijk dat men hem al snel beschouwt als een grondlegger van een nieuwe richting binnen de Nederlandse schilderkunst. Aan het begin van zijn loopbaan schildert hij met felle, expressieve kleuren, duidelijk beïnvloed door het fauvisme. De natuur, het uitgaansleven en vrouwen spelen daarin een belangrijke rol. Naarmate hij ouder wordt, zoekt hij zijn onderwerpen steeds dichter bij huis. Hij wordt een veelgevraagd portrettist en schildert daarnaast vooral zijn directe leefomgeving, met zijn (tweede) vrouw Greet van Cooten en hun kinderen als terugkerende onderwerpen. Sluijters werk blijft daarbij herkenbaar door het krachtige kleurgebruik en de karakteristieke penseelvoering. Juist de combinatie van een moderne schilderwijze en alledaagse, persoonlijke onderwerpen maakt zijn werk voor een breed publiek aantrekkelijk.

Het expressionisme
De behoefte om de traditionele beeldtaal verder open te breken neemt in de eerste decennia van de twintigste eeuw toe. De zoektocht naar vernieuwing wordt in de eerste decennia van de twintigste eeuw steeds radicaler. Onder invloed van internationale ontwikkelingen ontstaat het expressionisme, waarin niet langer de objectieve werkelijkheid maar de persoonlijke ervaring centraal staat. Vorm en kleur worden vrijer gebruikt en kunnen bewust worden vervormd of versterkt. Ook hier spelen Sluijters en Gestel een belangrijke rol.
De Bergense School ontstond rond 1915 in Bergen en geldt als een Nederlandse variant van het expressionisme. Kunstenaars als Leo Gestel, Else Berg, Matthieu Wiegman en Gerrit Willem van Blaaderen zochten naar een vereenvoudigde en krachtige manier om de werkelijkheid weer te geven. Kenmerkend zijn donkere, vaak aardse kleuren, stevige contouren, vereenvoudigde vormen en een nadrukkelijke aandacht voor de structuur van het beeldvlak. De invloed van het Franse kubisme is duidelijk zichtbaar, terwijl de expressieve schilderwijze aansluit bij het Duitse expressionisme. Landschappen, stillevens en figuren zijn veel voorkomende onderwerpen, waarbij de zichtbare werkelijkheid wordt vereenvoudigd zonder volledig abstract te worden.
In Groningen wordt in 1918 De Ploeg opgericht, een kunstenaarsgroep die de moderne, expressionistische schilderkunst in het noorden van Nederland verder ontwikkelt. Tot de belangrijkste vertegenwoordigers behoren Jan Wiegers, Jan Altink, Alida Pott en Hendrik Werkman. Kenmerkend is het gebruik van krachtige kleuren, een vrije penseelstreek en een expressieve omgang met vorm en compositie. De kunstenaars zoeken daarbij naar een persoonlijke verwerking van het Groningse landschap en het dagelijks leven. Frauenkirch van Jan Wiegers is hiervan een goed voorbeeld. Onder invloed van het Duitse expressionisme, en in het bijzonder Ernst Ludwig Kirchner, schilderde Wiegers hier het uitzicht vanuit Kirchners huis in Davos.

De Stijl en abstracte kunst
Vanuit die vrijere omgang met vorm ontstaat ruimte voor een verdere vereenvoudiging van de zichtbare werkelijkheid. Onder invloed van het kubisme worden vormen steeds meer teruggebracht tot geometrische structuren en wordt het traditionele perspectief losgelaten. Tegelijkertijd verschuift de aandacht van het weergeven van de werkelijkheid naar het onderzoeken van vorm, ritme, verhouding en kleur. Deze ontwikkeling vormt een belangrijke stap richting abstractie en mondt in Nederland uit in de internationale beweging die bekend staat als De Stijl, met Piet Mondriaan en Theo van Doesburg als centrale figuren.
Mondriaans ontwikkeling laat deze zoektocht bij uitstek zien. Rond 1908 neemt hij afstand van de traditie van de Haagse School en gaat hij steeds verder experimenteren met kleur, licht en vorm. Via het luminisme, symbolisme, kubisme en verschillende tussenfasen ontwikkelt hij zich uiteindelijk naar volledige abstractie, die hij rond 1917 bereikt. Zijn verblijf in Londen en later New York is daarbij van grote invloed. Zijn zoektocht naar harmonie en orde leidt uiteindelijk tot composities van horizontale en verticale lijnen, rechthoekige vlakken en de primaire kleuren rood, geel en blauw, aangevuld met zwart, wit en grijs. De Victory Boogie Woogie van Piet Mondriaan in het Kunstmuseum wordt beschouwd als de moderne Nachtwacht van de Nederlandse kunstgeschiedenis. Het schilderij verbeeldt het stratenplan van New York, vertaald naar een ritmisch raster van kleur en lijn. Het schilderij is nooit voltooid. De kleine stukjes tape waarmee hij de compositie tijdens het schilderen verschoof en bepaalde, zijn nog altijd zichtbaar op het doek.

De nieuwe zakelijkheid
Na deze steeds radicalere abstractie ontstaat in het interbellum een tegenreactie die juist weer meer houvast zoekt in de zichtbare, figuratieve werkelijkheid. De ontreddering na de Eerste Wereldoorlog versterkt de behoefte aan orde, helderheid en houvast, die in de jaren twintig en dertig onder meer tot uiting komt in de nieuwe zakelijkheid. Kunstenaars zoeken naar een heldere en objectiverende manier van kijken, met strakke vormen, duidelijke contouren en een zekere afstandelijkheid. Ook het perspectief wordt nadrukkelijk ingezet: hoge en lage standpunten, sterke verkortingen en ongebruikelijke uitsneden geven de werkelijkheid een nieuwe, zakelijke blik. De werkelijkheid wordt opnieuw herkenbaar en figuratief weergegeven, maar ontdaan van veel van de persoonlijke en emotionele expressie die kenmerkend was voor eerdere moderne stromingen.

Nola Hatterman neemt binnen de Nederlandse kunst van deze periode een bijzondere positie in, met krachtige portretten van Surinamers en figuurstukken waarin menselijke en maatschappelijke identiteit centraal staan. Ook Charley Toorop, Dick Ket, Johan van Hell, Chris Beekman, Pyke Koch, Jan Wittenberg, Anneke van der Feer en Raoul Hynckes geven ieder een eigen invulling aan deze nuchtere, vaak sterk realistische beeldtaal. De Nieuwe Zakelijkheid vertoont daarbij een nauwe verwantschap met het magisch realisme, waarin de herkenbare werkelijkheid eveneens centraal staat, maar wordt geladen met een mysterieuze, soms vervreemdende sfeer. Carel Willink ontwikkelt hierin een geheel eigen beeldtaal, met uiterst nauwkeurig geschilderde figuren, landschappen en architectuur. Zijn verstilde voorstellingen hebben vaak een raadselachtige sfeer, waardoor de alledaagse werkelijkheid iets onwerkelijks en soms zelfs unheimlichs krijgt.

Kunststromingen in Nederland: geen afgesloten hoofdstukken
Wanneer je deze ontwikkelingen naast elkaar ziet, wordt duidelijk dat de kunst van deze periode niet uit losse hoofdstukken bestaat. De meeste -ismes zijn een logisch antwoord op elkaar en haar historische context. Daarnaast ontstaat de ontwikkeling van de Nederlandse kunst uit een voortdurende wisselwerking tussen verschillende stromingen. De romantiek werkt door in de Haagse School, het impressionisme beïnvloedt het luminisme, symbolisme en nieuwe kunst raken met elkaar verweven en de experimenten van kubisten dragen uiteindelijk bij aan de ontwikkeling van de abstracte kunst. Nederlandse kunstenaars staan bovendien continu in contact met ontwikkelingen in Frankrijk, België, Duitsland en daarbuiten. De kunst rond 1900 is daardoor geen rechte lijn van traditie naar modernisme, maar een complex netwerk van invloeden, reacties en experimenten.
Internationaal ontstaat in deze periode een indrukwekkende veelheid aan stromingen, van het Franse fauvisme en het Italiaanse futurisme tot het Russische constructivisme en suprematisme. Daarnaast ontwikkelen zich onder meer het dadaïsme en surrealisme, terwijl ook het oriëntalisme een belangrijke plaats inneemt binnen de internationale kunst van de negentiende en vroege twintigste eeuw. Dit overzicht pretendeert niet volledig te zijn, maar volgt de belangrijkste ontwikkelingslijn binnen de Nederlandse kunst en geeft een inkijk in de stromingen die voor Nederland van betekenis zijn geweest.
Juist die veelzijdigheid maakt de periode van 1850 tot 1950 bijzonder rijk voor verzamelaars. Naast gevestigde namen als Van Gogh, Mondriaan, Toorop en Israels is er een brede groep kunstenaars die een belangrijke plaats inneemt in de Nederlandse kunstgeschiedenis, maar minder gemakkelijk in één van de bekende hoofdstromingen is onder te brengen. Sommige kunstenaars vallen daardoor als het ware tussen wal en schip, terwijl hun werk juist verrassend modern kan zijn. Een stroming biedt houvast en maakt het mogelijk kunstenaars en ontwikkelingen te groeperen en beter te begrijpen, maar veel van die indelingen zijn pas achteraf ontstaan. De werkelijkheid van de kunstgeschiedenis laat zich nu eenmaal minder gemakkelijk in hokjes plaatsen.
Kunsthandel Bob Scholte Fine Art specialiseert zich in Nederlandse & Europese kunst uit de periode 1880 - 1950. Vanuit een gedegen kunsthistorische achtergrond brengt de collectie bekende en minder bekende namen samen. Wekelijks voegen we nieuwe werken toe, gekozen om hun bijzondere verhaal, onderwerp, beeldtaal of zeldzaamheid. Bekijk de actuele collectie.


